Wanneer gastconservator Kees van der Geer spreekt over Gustave De Smet en Leo Gestel, gaat het hem zelden over stijl alleen. Steeds opnieuw keert hij terug naar de omstandigheden waaronder kunst ontstaat: ontmoeting, ontwrichting, steun. “Het is opvallend,” zegt hij, “dat de expressionistische stromingen in België en Nederland zo vaak los van elkaar worden behandeld, terwijl juist deze twee kunstenaars een innige vriendschap onderhielden die hun werk wederzijds heeft gevormd.” Die vaststelling vormt het vertrekpunt van hun beider oeuvre. Niet als parallelle trajecten, maar als communicerende vaten.
De vriendschap tussen De Smet (1877-1943) en Gestel (1881-1941) ontstond in een periode waarin hun levens door externe krachten werden opengebroken. Beiden zochten naar een nieuwe vorm van expressie, los van academische conventies en nationale kaders. Volgens Van der Geer was die gedeelde zoektocht cruciaal: “Hun verlangen om voorbij de zichtbare werkelijkheid te schilderen, om te komen tot een meer innerlijke, geconcentreerde expressie, zal eraan hebben bijgedragen dat ze al snel bevriend raakten.” Wat volgde was geen eenrichtingsverkeer, maar een langdurige dialoog die telkens opnieuw werd geactiveerd in momenten van crisis.