Hoe breng je stijlen tot leven die tegelijk subtiel en overdadig zijn? Conservator Werner Adriaenssens, specialist in Belgische art nouveau en art deco, gidst ons door de gloednieuwe zalen van het Museum Kunst & Geschiedenis. Hij maakte geen statische opstelling, maar een meeslepende ervaring. “Een museum mag geen opslagplaats van middelmatigheid zijn”, vindt hij. En dat voel je in elke vitrine.
Wat was het uitgangspunt of de eerste vonk voor deze opstelling?
“Deze permanente opstelling vindt haar oorsprong in een koninklijk besluit van 1887 – inderdaad, niet 1987 – waarin werd bepaald dat de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis een collectie eigentijdse sierkunsten moesten opbouwen. Later noemden we dat art nouveau. Doel was om de bestaande verzameling historische meubels, retabels, wandtapijten en luxueuze gebruiksvoorwerpen aan te vullen met hedendaagse creaties. De eerste aankopen dateren van 1894 en vonden vooral plaats op tentoonstellingen van het Brusselse salon La Libre Esthétique en op wereldtentoonstellingen. Rond 1900 kwam dat proces stil te liggen, maar met de Exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes in Parijs in 1925 kreeg de art-decocollectie een nieuwe impuls.