Marisol

Marisol, het probleem met een icoon

Marisol werd beroemd als ‘icoon van de popart’. Maar precies dat etiket maakte haar oeuvre ook kleiner dan het was. Haar werk past misschien niet helemaal in de kunsthistorische definitie van popart die na de jaren 60 dominant werd. Nu haar grote retrospectief naar Rotterdam reist, wordt zichtbaar hoe een gevierde kunstenaar uit de canon kon verdwijnen zonder ooit op te houden met werken. Conservator Esmee Postma over canonvorming, beeldvorming en de valkuil om kunst vanuit de  kunstenaar te verklaren.

TEKST: Els Bracke

Wie Marisol (1930-2016) aan een breed publiek wil voorstellen, komt haast onvermijdelijk uit bij de popart. Ook Museum Boijmans Van Beuningen noemt de Venezolaans-Amerikaanse kunstenaar een ‘icoon van de popart’. De aanduiding plaatst een voor velen onbekende naam onmiddellijk naast Andy Warhol, Claes Oldenburg en Roy Lichtenstein. Maar ze wringt. Marisols oeuvre omspant ruim vier decennia; haar uitgesproken popartperiode duurde van 1960 tot 1968. Haar beschilderde houten figuren zijn ambachtelijk, persoonlijk en soms bijna surrealistisch. Ze putte uit tijdschriftfoto’s en consumptiecultuur, maar ook uit volkskunst en precolumbiaanse beeldtradities. En waar de canonieke popart vaak koel registreert, kan Marisols werk bijtend kritisch zijn.